Wat? Een nieuwsbericht over de schimmige financiële situatie op de Hogeschool Haarlem.
Waar? Hkwadraat, het maandblad van de Hogeschool Haarlem (nu: Inholland).
Wanneer? In december 2000.
Rapport over toekenning rijksbijdrage:
‘College versluierde begroting’
door Maartje Luif
Het College van Bestuur heeft de medezeggenschapsorganen ‘bewust’ niet geïnformeerd over de hogere rijksbijdrage voor de SOSA sinds 1997. Dat verwijt uit de financiële commissie van de Gezamenlijke Medezeggenschapsraad onder meer in het rapport ‘Onderzoek bekostiging SOSA’. Het college is ‘woedend’ over deze conclusie.
De conclusies van de financiële commissie werden op 1 december unaniem door de Gezamenlijke Medezeggenschapsraad (GMR) onderschreven bij de aanbieding van het ruim zestig pagina’s tellende boekwerk. In de aanbiedingsbrief voor het college die bij het rapport zat, schreef de raad zich te zullen bezinnen op de relatie met het College van Bestuur (CvB). Het college liet bijna een week later, voorafgaand aan de extra vergadering, in een schriftelijke reactie weten ook achteraf ‘tevreden’ te zijn over de genomen besluiten. Het rapport betitelen zij, vooral wegens toonzetting - de SOSA is geld onthouden - als een ‘verkeerd rapport’. Op die reactie heeft de GMR nog niet officieel gereageerd.
In april besloot de GMR een financieel onderzoek in te stellen naar de bekostiging van het hbo-deel van de SOSA, de toewijzing en de gang van zaken daaromheen.
In het rapport stelt de financiële commissie dat de SOSA sinds 1997 rond de zes miljoen gulden per jaar meer kreeg dan in voorgaande jaren. Het ministerie bekostigde namelijk in tegenstelling tot voorgaande jaren ineens de tweejarige hbo-opleiding als vierjarig. Het CvB besloot de hogere rijksbijdrage niet toe te kennen aan de SOSA, maar die in de algemene hogeschoolmiddelen op te nemen. Naar eigen zeggen omdat ze niet wist of het extra geld structureel zou zijn of dat het een vergissing was.
Het CvB redeneert als volgt: de rijksbijdrage werd verhoogd, maar het aantal contacturen, studenten en de studieduur waren niet gewijzigd. Het college meent dat wanneer het de gelden wel aan de SOSA had toegekend, de indruk zou kunnen ontstaan dat het CvB ‘een transparante relatie tussen de geleverde prestatie en de daarvoor ontvangen bekostiging’ niet serieus zou nemen. Volgens de commissie is hiermee onrechtmatig, zonder inspraak van de GMR de bekostigingssystematiek gewijzigd.
Ook meent de commissie dat het CvB de hogere rijksbijdrage en de aanwending daarvan heeft versluierd en op die manier de medezeggenschapsorganen bewust niet heeft geïnformeerd. Zo kreeg de raad van de SOSA in de begrotingen vanaf 1998 berekeningen voorgelegd die vergaand afweken van de officieel geldende berekeningen die aan de overheid werden gepresenteerd.
Het CvB zegt de GMR eind 1997 inderdaad een begroting te hebben voorgelegd waarop de extra middelen ontbraken. Het CvB wist toen nog niet of de gunstige berekening weer zou worden gecorrigeerd. Het College achtte het onjuist de raad ‘een mogelijk te rooskleurig financieel beeld voor te houden’.
Hoewel het college in haar brief bij de reactie schreef dat het in verband met de krappe tijdspanne zijn reactie reeds nu deed toekomen aan de raad (de dag voor de vergadering), meende de raad te kort tijd te hebben gehad om een gezamenlijk standpunt in te nemen. De GMR beraadt zich nu opnieuw op het rapport naar aanleiding van de CvB-reactie.


